Onderzoek Autisme en gezinsdynamiek

Autisme kan nogal een impact hebben op de mensen om kinderen en volwassenen met autisme heen. Dat is algemeen bekend. Maar wat voor invloed heeft de sociale omgeving-en dan met name het gezin- op een kind met autisme? Autisme is een stoornis die vanuit biologische oorzaken ontstaat, niet primair door het doen of laten van ouders. Maar ouders hebben wel invloed op hoe een kind -met of zonder autisme- zich ontwikkelt. Want we worden allemaal beïnvloed door het gezin waarin we opgroeien; daarom willen we als ouders ook zo ons best doen voor onze kinderen. Als we meer weten over hoe ouders hun kind met autisme in positieve zin kunnen beïnvloeden, dan kunnen we hen ook gerichtere handvatten geven.

Binnen de Social Spectrum Study wordt onder andere gekeken naar de wederzijdse invloeden tussen een kind met autisme en het gezin waarin het kind opgroeit.

Ten eerste is er gekeken naar de interactie tussen ouders en jonge kinderen met symptomen van autisme. In dit onderzoek is er ook gekeken naar symptomen van autisme en andere psychische problemen (zoals angst en depressie) bij de ouders zelf. Ouders en kind hebben vrij gespeeld en er is geteld hoe vaak ouders bijvoorbeeld hun kind corrigeren of instructie geven wat het kind moet doen. Dit is ook gedaan tijdens het opruimen na het spel.. Het resultaat is dat tijdens het vrij spelen blijkt dat de symptomen die ouders bij zichzelf zien, samenhangen met hoe ouders zich gedragen. Hun gedrag tijdens het vrije spelen wordt in mindere mate bepaald door de symptomen en het gedrag van het kind zelf. Vooral als ouders zelf meer autistische symptomen hebben, zie je dat ze hun kinderen meer vertellen wat ze moeten doen en minder benoemen wat hun kind zelf doet of zegt. Hiermee wordt bevestigd waar veel behandelaren zich al bewust van zijn: dat je rekening moet houden met de eigenschappen van de ouders als je het kind onderzoekt of behandelt.Opvallend is dat de symptomen van ouders niet samenhangen met hoe ze zich gedragen tijdens het opruimen. Dan blijken juist de symptomen en het gedrag van het kind veel meer bepalend te zijn voor hoe ouders zich gedragen. Hoewel daar geen conclusies aan verbonden kunnen worden zonder verder onderzoek, vermoeden de onderzoekers twee dingen: Ten eerste dat kinderen tijdens de opdracht om op te ruimen meer probleemgedrag laten zien dan wanneer zij vrij mogen spelen, wat mogelijk sterke reacties ontlokt bij de ouders. Ten tweede dat ouders, indien de situatie dat explicieter van hen vraagt (het geven van een opruimtaak) beter in staat zijn om hun gedrag aan te passen.

Daarnaast is het gezinsfunctioneren onderzocht. Gezinsfunctioneren gaat over hoe een gezin als geheel met elkaar omgaat, voelen gezinsleden zich met elkaar vertrouwd, kunnen ze samen wat leuks plannen zonder ruzie te maken, kan iedereen van elkaar op aan? Gezinnen waar psychische stoornissen voorkomen functioneren vaak slechter, maar slechter gezinsfunctioneren kan voorspellend zijn voor psychische klachten bij gezinsleden. Over gezinsfunctioneren bij autisme is nog weinig bekend. Er zijn studies die erop wijzen dat gezinnen met een kind met autisme wat slechter functioneren en een studie die erop lijkt te wijzen dat niet een diagnose autisme, maar de bijkomende emotionele en gedragsproblemen samenhangen met slechter gezinsfunctioneren. In deze studie is onderzocht hoe autisme en gezinsfunctioneren met elkaar samenhangen. Om dit te onderzoeken is aan de ouders van 168 kinderen die waren verwezen naar jeugd GGZ gevraagd om vragenlijsten in te vullen over de autistische symptomen van hun kinderen en het functioneren van hun gezin. Een jaar later is dit herhaald. Op deze manier kon men kijken hoe de verbanden tussen autismesymptomen en gezinsfunctioneren over de tijd liggen. Hier bleek dat gezinnen met een kind met een autismediagnose niet slechter functioneerden dan gezinnen met een kind met een andere diagnose. Wel was duidelijk dat ernstigere autismesymptomen aan het begin van het onderzoek samenhingen met slechter gezinsfunctioneren een jaar later. Slechter gezinsfunctioneren zorgde niet dat kinderen meer last kregen van autistische symptomen. Ook als er rekening werd gehouden met emotionele en gedragsproblemen in de berekeningen, veranderde dit beeld niet.

Conclusie: voor kinderen met autisme is het functioneren van het gezin niet significant van invloed op hun autismesymptomen, maar de ernst van hun autismesymptomen is wel significant van invloed op het functioneren van het gezin.Behandeling van kinderen met autisme is dus niet alleen in het belang van de kinderen zelf, maar van het hele gezin. Slechter gezinsfunctioneren zorgt er andersom niet voor dat kinderen met autisme zich nog autistischer gaan gedragen.

Op dit moment wordt er aan een onderzoek gewerkt naar de invloed van stress bij ouders op hun kinderen met autisme. Een aanwijzing is dat minder stress bij ouders leidt tot minder gedragsproblemen- maar niet minder autistische symptomen of emotionele problemen- bij kinderen. Dit lijkt een belangrijk aanknopingspunt voor ondersteuning van ouders. De gegevens worden nu nader bekeken en zullen gedeeld worden met de NVA/Balans, gezien de mogelijke relevantie voor de cursus Ouderpower.

Emergis, GGZ Westelijk Noord Brabant, Riagg Rijnmond en Lucertis werkten mee aan dit onderzoek. Er wordt verder onderzocht hoe men als ouders positief kan bijdragen aan de ontwikkeling van hun kind met autisme en hoe men in het gezin kan zorgen dat iedereen beter om kan gaan met diverse situaties.

Als mensen meer willen weten over deze studie, kan men een mailtje sturen naar Kirstin Greaves-Lord via k.greaves-lord@erasmusmc.nl.

 

Afbeeldingsresultaat voor autisme en gezin

Wees de eerste om te reageren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.